De nieuwe stadsdichter van Enschede: Margót Veldhuizen!

Margot wint

Op zaterdag 28 januari is Margót Veldhuizen verkozen tot zevende stadsdichter van Enschede. Met haar aansprekende, beeldende gedichten won ze van Dick Schlüter die eveneens door de jury werd geprezen.

De jury bestond uit Bärbel Dorbeck-Jung (voorzitter SLME), Trudie Lucardi  (secretaris SLME), aftredend stadsdichter Jovan Bilbija, oud-stadsdichter Regine Hilhorst, Mikos Teuben van Boekhandel Broekhuis en Gijs Ornee van de SLME.

Margót zal de komende twee jaar gedichten schrijven voor en over onze stad. Hier zijn alvast de vijf gedichten waarmee ze meedeed aan de verkiezing:

 

De wegwerkers

Daar staan de mannen
in oranje jas
de harde werkers
die in weer en wind
mist, zon en regen
de ingewanden van de stad
verkennen, zoals een arts
de vaten van de mens.
Zij repareren ook
verbinden als dat nodig is.

Als het water lopen kan
dekken zij toe wat even
zichtbaar was, leggen tegels
waarover wij weer verder gaan,
de klus is weer gedaan.

De harde werkers zij zijn moe
de één draait nog een sigaret
de schop wordt even neergezet
de ander heeft zijn rug gerecht,
het regent zacht, zijn knie speelt
op met vochtig weer, doet zeer.

De graafmachine draait zich om
de borden, linten zijn verwijderd
naar huis, naar huis!

Tot morgen, ja aju tot morgen.

Margót Veldhuizen
Stadsdichter Enschede 2017/2019

 
Tweeënnegentig

Daar gaat hij met wandelstok
nog tamelijk kras
en elke dag als het
van wie dan ook vermag
het weer het toelaat
zijn half uur rondje door de buurt.

Daar gaat hij door het park
waar de witte villa staat te pronken
blijft hij even staan, kijkt omhoog
naar vogels in hun vlucht
vervolgt opnieuw zijn weg
zijn stok tikt,
hij knikt naar wie hij kent,
loopt langs leeftijdsgenoten
die achter kleine ramen huizen
hem dagelijks voorbij zien gaan.

Hen ziet hij niet
wel jongens fietsen
turend op hun smartphone
hij doet een stap opzij
snapt de jeugd
is ooit ook jong geweest.

Slaat dan de hoek
om naar de Espoortstraat
waar hij de oude begraafplaats
ver achter zich laat.

Soms stap ik van mijn fiets
vertelt hij over lang geleden
danste tango in Buenos Aires
dronk champagne in Coppacabana
zijn ogen glinsteren
hij lijkt veel jonger nu.

Groet mij gedag met hoofse knik
ik roep adios naar zijn rechte rug.

 

Textielblues

De blues is als het leven
soms huilt zij, lacht zij, zingt zacht
laat de gitaar klagend klinken
de slepende stem van de zanger
wekt op wat je al lang vergeten dacht.

Het goudgele graan op de es
moeder thuis met koekjes en thee
vader was werken op de fabriek
de blues in Enschede.

Heimwee naar die zwoele zomeravond
wandelend met vriendinnen
likkend aan een ijsje van de Italiaan
nog laat op straat, het was bij tienen
van de bios naar het busstation
de middagploeg gaat al naar huis.

Voorbij, voorgoed voorbij.

Hij roept het op met zijn mondharmonica
zingt over mensen in Amerika
daar plukt een man katoen
komt ’s avond niet naar huis
de stoel die op de veranda staat
schommelt wild met groot verdriet
wij voelen het hier al zien we het niet
ver, ver weg in Enschede.

Voorbij, voorgoed voorbij.

Over rivieren en kanalen varen
nog steeds grote schepen
vrachtauto’s rijden in colonne
over vele autowegen,
levend vee wordt daar vervoerd,
treinen rijden vaak op tijd
vliegtuigen trekken witte sporen
in de hoge blauwe lucht
het leven zingt, het leven zucht
in Memphis en in Enschede.

 

Zondagse kleren

Toen mijn ouders zondagse kleren droegen
de radio zondagse muziek liet horen
vond ik het lopen uit door de poort
over de straat op weg naar het park.

Daar wachtten herten met grote geweien
schreeuwden pauwen
gleed het zwanenpaar
langs eenden en goudvissen.

Een roestige, ronde stang hield mij tegen
de vijver met planten en bomen
was van vogels en vissen.

Terug naar huis roken mijn handen naar ijzer
mijn haren naar gras
mijn ogen naar water
mijn huid naar wind.

Thuis zaten mijn ouders op
hun zondagse stoelen te roken
zij zagen niets, zij zeiden niets
ik gaf mijn moeder een pauwenveer.

 

De singel

Zwermen spreeuwen bewolken de rode hemel
dansen een choreografie
die niemand hen geleerd heeft.

In de middenberm jonge platanen
de singel slingert als een rivier
door deze waterloze stad
oversteken is hier lang wachten.

Auto’s razen voorbij
ik spring niet in een gat
de ruimte moet groter zijn.

Plotseling heb ik het koud
hoewel mijn wangen gloeien
vermoedelijk is er geen relatie
met de dansende spreeuwen
in de rode avondlucht.

 

Hart voor de stad

Hij kent de stad als geen ander
weet welke mensen er toe doen,
groet hartelijk wie hij tegenkomt
zijn lach klinkt vaak en luid
hij is erom bekend,
heeft met menigeen een klik.

Hij houdt van deze stad
zoals zo velen,
maar hij een tikje meer
strooit met ideeën
neemt initiatieven
steekt handen uit de mouwen
werkt, loopt, sjouwt
waar nodig is.

Geen blad voor de mond
daar houdt hij niet van
hij is een man van rechttoe rechtan.

Hij geeft zijn visie zonder dralen
heeft meestal gelijk vindt hij zelf
doet het belangeloos
niet voor het aardse slijk
of politiek gewin,
hij doet het voor de stad
en voor zichzelf
ook daar is hij duidelijk in.

 

© Stadsdichter Enschede 2017-2019 – Margót Veldhuizen

 

Klik hier voor andere gedichten van de Stadsdichter.