Gedichten van Frank Wijering

Freinet

Een gedicht maken is in de eerste plaats spelen met woorden. Speel met woorden en je hebt een gedicht gemaakt. Zoals in dit voorbeeld:

Ik sta in de Freinetschool, maar
ik kijk om me heen en denk: oké
vrij net, maar het kon best netter.

Een goed gedicht maken betekent dat je woorden hebt gevonden voor iets waar niet zo gemakkelijk goede woorden voor te vinden zijn. Zoals hoe het eigenlijk kan dat een meester of een juf het voor elkaar krijgt om jou te leren rekenen:

Getallensoep!

Meester heeft over getallen gesproken
als was hij een tovenaar
Hij gooide ze samen in een ketel,
wat formules erbij en roeren maar!

Daarna viste hij met een grote lepel
de cijfers zingend uit het sop
Er was geen touw aan vast te knopen
maar we kregen allemaal een kop

Drink deze beker dan zullen jullie snappen
wat het geheim is van het getal!”
Wij aarzelden want de soep die stonk
naar rotte vis en restafval

Binnen ging het schuimen en gisten
volgens de meester was dat heel normaal
Getallen zijn moeilijk te verteren
ze zijn een aanslag op je darmkanaal

Maar het resultaat was fenomenaal
de volgende dag heb ik heel fraai
een perfecte, ronde nul
netjes in de pot gedraaid

Daar maakte ik een foto van
die ik trots op school liet zien
volgens de meester had ik het gesnapt
ik kreeg voor deze nul een tien!

Een mooi gedicht is hetzelfde als een goed gedicht, maar nu worden meerdere mensen geraakt door de toon en de inhoud van het gedicht. Het vertelt iets wat eigenlijk zielig is op een manier die ook wel weer mooi is, waardoor het toch weer net niets minder erg wordt. Of je een mooi gedicht hebt gemaakt voel je zelf wel, maar om het zeker te weten moeten andere mensen het je dus eigenlijk vertellen. Een voorbeeld van een gedicht dat misschien een mooi gedicht kan worden is deze, over een beetje een eenzaam kindje, dat hier zomaar rond zou kunnen lopen:

In de spiegel

Ik ben op deze school
niet geboren, nee, zelfs niet
in deze stad. Ik heb mijn huis
en nog wel meer
verloren, maar weet niet
allemaal meer wat.
Als de juf zegt: “Kijk
dit is jouw klas.”
hoor ik de kraai
die buiten krast
en voel ik ineens
mijn zware jas

In de toiletspiegel pas
zie ik een hoofd
dat past. Dan lach ik
en geef mezelf een hand
als ik ze was
Waar ik ook ben overal
is wel een spiegel
die mij herkent, en mij
teruggeeft zoals
ik ben.

En tot slot, je kunt je voor een gedichtje ook op ideeën laten brengen door een thema, bv. het thema ‘grenzen’. In een gedicht kan namelijk alles, zelfs een tafel kan huilen, in een gedicht:

Over wat een tafel is

Ik heb de tafel eindeloos
bekeken,
heb hem geroken tot onder
in de nerf.
Ik heb zijn blad en poten
gladgestreken,
ik was erbij toen het hout werd
ingekerfd.

Daarna heb ik de tafel secuur
gemeten,
tot de millimeter wist ik
zijn formaat.
Ik heb er met volle aandacht
aan gegeten,
was overtuigd van de grond
van zijn bestaan.

Maar op een dag begon het hout
te huilen,
de tranen rolden weg
in het tapijt.
Ik gaf het een warm kleed om onder
te schuilen,
betuigde van iedere kras oprecht
mijn spijt.

Zachtjes begon de tafel daarna
te spreken,
over zon en wind en frisgroen
blad.
Schilderde een verte die ik nog nooit had
bekeken
nam mij mee, weg, van het rechte
pad.

Toen zei hij iets waarvan ik ben gaan
dromen:
dat hij nooit geweest was wat ik
zag.
Dat hij nog altijd was wat hij altijd al was
namelijk bomen,
waarop iedere dag drie keer mijn maaltijd
lag.

Als ik kon, zei hij, dan zou ik weer
gaan groeien,
op zoek naar wind en wolken en het hoge
blauw.
De reden dat mijn bloesems niet meer
bloeien,
is dat ik ben geworden wat jij
wou.

Die dag heb ik mijn tafel
vrijgelaten,
midden in een grote groene
wei.
Daar heb ik hem geplant
tussen de schapen,
voorzichtig laat hij nu zijn takken
vrij.

Ik wens jullie heel veel speel- en dichtplezier!

13 maart 2009

Frank Wijering

Frank Wijering