Jovan Bilbija (Hilversum, 1979) was stads-dichter van Enschede van 2015 tot februari 2017.
Na zijn eindexamen in 1997 vertrok hij naar Canada waar hij in Montreal een driejarige opleiding Illustration and Design volgde. Hij keerde terug naar Nederland en studeerde vanaf 2000 Oudheidkunde aan de VU Amsterdam (MA in 2005).
In 2012 promoveerde hij aan dezelfde universiteit bij Griekse Taal en Literatuur.
Naast zijn werk en kunstenaarsschap dient Jovan als priester in de Servisch-Orthodoxe kerk.

Jovan Bilbija
Hoe het me lukte
ben ik vergeten,
maar daar stond ik,
in die grap,
Ik droomde vannacht
dat ik een moppenboek las
en dat elke bladzijde
spiegelend was.
Ik weet nog goed
Toen ik je zag,
De eerste keer,
Tweeduizendacht,
Ik stel me voor
Dat toen je hier
Als puntje pas
Geboren was
Daarnaast
Mag het jaar
Bijzonder saai zijn
Af en toe.
Na deze ingreep op nanoniveau,
sprak de arts, en ze keek me zo
moederlijk aan, bent u nooit meer
verkouden of somber, meneer,
De uil laat de tak
los gaan de vleugels – ze veert
geruisloos omhoog
Gedicht geschreven ter gelegenheid
Leg je oor op het Ei
Van Ko en je hoort
De diepte die vraagt
Om geluid: het gezwonk
Dwalen, staren door het water,
Slapend raken mij de golven,
Over, onder neem mij zonder
Adem, lucht en dan bedolven.
Volgedist en opperdepopgefrist,
Door koffieboon en bakkersgist,
Met verse kracht en tegenzin,
Oase uit, woestijn weer in.
O was ik maar oase,
Jouw oase, maar helaas,
Je was een haasje in extase
En ik konijntje en een dwaas.
O was ik maar oase,
Jouw oase, maar helaas,
Je was een haasje in extase
En ik konijntje en een dwaas.
In Wonderland verschijnt een raampje
In een boomstronk, in de lucht,
Waar Alice, jong en opgetogen,
Naar een nieuw paar kinderogen
We zagen je staan
Aan de rand van de stad,
Ver weg en je voelde
Onbekender dan ooit.
© Stadsdichter Enschede 2015-2016 – Jovan Bilbija
De stad Varvik woon
Ligt Hogeland duinen,
Ligt Hogelande hoogste duinentop;
‘N Lasondere plek,
En toen we daar weer samenzaten,
Dalian, Palo Alto en ik,
In ‘t zwaartepunt van onze driehoek,
De tuinen van Toulouse om dit,
Zeg, waar is je –
Weg.
Maar jullie waren toch –
Niet echt.
Er stonden stoepkrijtbloemen
In je stoepkrijtplantenbak,
Voor je uitgeknipte ramen,
En daarachter jij als dame,
Ik heb toen op je gewacht
Totdat ik een ons woog en ik dacht
Dat ik de wachtdood wel zou sterven
En bederven zou de nacht.