Gedichten van Margót Veldhuizen

Tweeënnegentig

Daar gaat hij met wandelstok
nog tamelijk kras
en elke dag als het
van wie dan ook vermag
het weer het toelaat
zijn half uur rondje door de buurt.

Daar gaat hij door het park
waar de witte villa staat te pronken
blijft hij even staan, kijkt omhoog
naar vogels in hun vlucht
vervolgt opnieuw zijn weg
zijn stok tikt,
hij knikt naar wie hij kent,
loopt langs leeftijdsgenoten
die achter kleine ramen huizen
hem dagelijks voorbij zien gaan.

Hen ziet hij niet
wel jongens fietsen
turend op hun smartphone
hij doet een stap opzij
snapt de jeugd
is ooit ook jong geweest.

Slaat dan de hoek
om naar de Espoortstraat
waar hij de oude begraafplaats
ver achter zich laat.

Soms stap ik van mijn fiets
vertelt hij over lang geleden
danste tango in Buenos Aires
dronk champagne in Coppacabana
zijn ogen glinsteren
hij lijkt veel jonger nu.

Groet mij gedag met hoofse knik
ik roep adios naar zijn rechte rug.

Margót Veldhuizen

Margót Veldhuizen